BOTANIA
Na 25 jaar met plezier in de Merenwijk, aan de Zijl,
vlak bij de Kaag, te hebben gewoond, was ons huis hard toe aan een ingrijpende
opknapbeurt. Tegelijkertijd was pijnlijk duidelijk geworden dat onze
slaapkamer daar de enige kamer op het noorden was, zodat ik er ook mijn
atelier had ingericht. Met als gevolg dat Elco over de schilderijen en
planten heen zijn bed in moest kruipen – zonder ooit te klagen. Misschien
moesten we dus niet opknappen, maar iets nieuws zoeken.
Erg actief waren we echter niet. Elco fietste wel eens
een ommetje om dan terug te komen met een geestdriftig verhaal over een
boerderij die te koop stond, maar dat sprak mij niet zo aan. Als er
wat met een van ons tweeën zou gebeuren, zo redeneerde ik, zit je daar
maar eenzaam naar de koeien te staren. Totdat onze huidige buren aan
kennissen van ons vroegen of het Plantsoen niets voor ons was. Het
bewuste huis bleek niet officieel te koop te staan. Een buitenlander
had het voormalige studentenhuis een half jaar eerder gekocht, maar
vervolgens dusdanig ingrijpende verbouwingsvoorstellen ingediend dat
hij geen vergunning kreeg. De sleutel had hij bij het buurhuis afgegeven
om eventuele belangstellenden binnen te kunnen laten. De buurvrouw
was een ware Cerberus: ze liet alleen binnen wie ze een geschikte buur
vond en wierf dus blijkbaar ook actief. Ze was natuurlijk bevreesd
dat het opnieuw een studentenhuis zou worden, want haar andere buren
zijn nog altijd 22 gezellige studenten.
Na onze treurig stemmende bezichtiging dronken we een glas wijn bij haar. Terwijl we daar zaten, gingen plotseling mijn ogen open: zo aantrekkelijk als het bij haar was, kon het bij ons ook worden. Als je door alle rotzooi heen keek, had het huis tenslotte wel allure. Alleen al die pilaren met bloemenranken! Dat betekende voor mij de ommekeer. Voor Elco nog niet. Hij zag op tegen het gedoe van een ingrijpende renovatie. Maar een week later zaten we op één lijn. En ik hoef alleen maar te zien hoe gelukkig hij nu is in zijn lichte studeerkamer met uitzicht op hetchitterende Plantsoen om te weten dat ook híj geen minuut spijt heeft gehad.
ATELIER
In mijn atelier gebeurt het allemaal. Iedere keer opnieuw beleef ik daar
de sensatie dat waterverf als het ware uitgevonden lijkt om bloemen
mee te schilderen. De heldere, briljante kleuren van waterverf lenen
zich uitstekend om het frisse, tere en transparante van bloemen weer
te geven. En dat maakt het vastleggen van de rijkgeschakeerde bloemen-
en plantenwereld
op maagdelijk papier tot een fantastisch festijn.
Sinds we aan het Leidse Plantsoen wonen, heb ik een ruim atelier met hoge ramen op het noorden. In die aangename lichte ruimte staat een grote werktafel, met daarop een caleidoscopisch stilleven van paletten, een loep, liggende takken, bloemen in vazen, penselen, bakjes water. Als ik dat alleen al zie, popel ik om aan te schuiven en verder te gaan. Langs een van de wanden hangen boekenplanken vol botanische naslagwerken, die voor mij een bron van inspiratie vormen. Mijn ervaring is dat je niet genoeg kunt kijken, kijken, kijken hoe anderen het hebben aangepakt. Aan de muur hangen ook verschillende vlinderdozen: opgespelde, keurig gerangschikte vlinders, afkomstig uit Europa, Azië en Amerika. Onze zoon Eduard kocht er enkele op een veiling. Hij is een natuurmens net als ik. Zijn vlinders zijn dankbaar aan de collectie toegevoegd. Op een rommelmarkt in Nice vonden we ooit een doos met kevers en torren. De douanier op Schiphol keek me aan of ik op weg was naar het gesticht. Soms voeg ik beestjes toe aan een bloemenschilderij, voor de levendigheid, voor de compositie. Daarbij moet je natuurlijk wel opletten dat de habitats van bloem en insect bij elkaar horen.
Liefst vertoef ik zo lang mogelijk in mijn eigen schildersparadijsje aan de achterzijde van ons huis. Hoewel de wekker gewoonlijk om halfzeven gaat – ook Elco staat dan op, want in de bouw beginnen ze vroeg – duurt het soms geruime tijd voor ik me in het atelier kan terugtrekken. Telefoontjes, overleg met vormgevers van diverse productlijnen, de was die in de wasmachine moet: tal van andere zaken nemen maar al te vaak de ochtend in beslag. Ik wil dat ook zelf zo, want ik heb altijd de illusie dat het schilderen beter zal gaan als ik eerst alle lopende zaken afgehandeld heb, want dan pas heb ik rust. Ik probeer om 11 uur te beginnen, maar de mooiste uren zijn eigenlijk die van 15 tot 20 uur, als er althans ’s avonds geen verplichtingen zijn. Dan gaat de telefoon ook niet zo veel meer en zijn er alleen nog rust en mooie muziek, die mijn concentratie versterkt. Je zou mij een eclectisch luisteraar kunnen noemen: zowel Bach als Freddie Mercury kan ontroerend zijn.
